ECLI:NL:HR:2022:789

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2022
Publicatiedatum
27 mei 2022
Zaaknummer
21/04749
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Centrale Raad van Beroep inzake socialezekerheidswetgeving

Belanghebbende heeft cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven voor het oordeel omdat de beoordeling van de middelen niet vereist was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens is er geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2022. Hiermee blijft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ongewijzigd en wordt het beroep in cassatie ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/04749
Datum27 mei 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Centrale Raad van Beroep van 21 oktober 2021, nrs. 20/1352 AOW en 20/2459 AOW [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. 19/1596) betreffende een besluit inzake de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2022.