Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
31 mei 2022.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit verschillende overtredingen van de Opiumwet centraal. Het hof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat betrokkene en zijn partner een economische eenheid vormden, wat van belang was voor de methode van eenvoudige kasopstelling bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte had aangenomen dat sprake was van een economische eenheid, mede omdat zij geen gezamenlijke financiële huishouding voerden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende motivering had gegeven voor dit oordeel en dat uit de bewijsmiddelen, waaronder het feit dat betrokkene en zijn partner niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven en geen gezamenlijke bankrekeningen hadden, juist aanwijzingen voor het tegendeel konden worden afgeleid.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling en beslissing. Andere klachten van betrokkene werden niet tot vernietiging geleid. De uitspraak werd gedaan op 31 mei 2022 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.