ECLI:NL:HR:2022:817

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2022
Publicatiedatum
1 juni 2022
Zaaknummer
21/01282
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 2:238 BWArt. 2:242 lid 1 BWArt. 2:244 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling arbeidsrechtelijke positie directeur en ontslagbescherming

In deze zaak stond centraal of de directeur van InvestinFuture Holding B.V. tevens statutair bestuurder was en daarmee onder de ontslagbescherming viel. De feiten en eerdere uitspraken van rechtbank en hof werden door de Hoge Raad overgenomen zonder nadere motivering.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten tegen het arrest van het hof en concludeerde dat deze niet tot vernietiging konden leiden. Daarbij was het niet noodzakelijk om diepgaand in te gaan op de juridische vragen over de uitleg van de arbeidsovereenkomst en de toepasselijkheid van vennootschapsrechtelijke bepalingen.

Uiteindelijk wees de Hoge Raad het beroep van IIF af en veroordeelde zij IIF in de proceskosten, waarbij de kosten aan de zijde van de wederpartij nihil werden begroot. Dit arrest bevestigt de eerdere rechtspraak omtrent de arbeidsrechtelijke positie van directeuren die tevens statutair bestuurder zijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep van InvestinFuture Holding B.V. is verworpen en zij is veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/01282
Datum3 juni 2022
ARREST
In de zaak van
INVESTINFUTURE HOLDING B.V.,
gevestigd te Hilversum,
EISERES tot cassatie,
hierna: IIF,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de uitspraken in de zaak C/09/525423 / HA ZA 17-79 van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2017, 16 januari 2017, 8 februari 2017, 1 november 2017, 24 januari 2018, 1 augustus 2018 en 27 maart 2019;
het arrest in de zaak 200.267.544/01 en 200.267.687/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 december 2020.
IIF heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor IIF toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van IIF heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt IIF in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, F.J.P. Lock en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
3 juni 2022.