Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
7 juni 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor faillissementsfraude door feitelijk leiding te geven aan bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon, en medeplegen van valsheid in geschrift. Het hof 's-Hertogenbosch had de verdachte eerder veroordeeld. In hoger beroep werd een getuigenverzoek afgewezen omdat de getuigen reeds in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdediging waren gehoord.
De verdachte stelde in cassatie verschillende klachten in, onder meer over de bewijsvoering en het recht op een eerlijk proces conform artikel 6 EVRM Pro. De advocaat-generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen en dat nadere motivering niet nodig was omdat de vragen niet relevant waren voor de rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 7 juni 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte voor faillissementsfraude en medeplegen valsheid in geschrift.