Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.De beschikking van de rechtbank
3.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
21 juni 2022.
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een klaagschrift van een betrokkene tegen de voorlopige terbeschikkingstelling van digitale gegevensdragers aan Roemeense autoriteiten op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB). De rechtbank Amsterdam had het klaagschrift ongegrond verklaard en de voorlopige terbeschikkingstelling toegestaan.
De Hoge Raad herhaalt de relevante wettelijke bepalingen en Europese richtlijnen omtrent geheimhouding, voorlopige terbeschikkingstelling en de procedure rond het klaagschrift. De Hoge Raad bevestigt dat de rechter bij het klaagschrift niet toetst of de officier van justitie terecht voorlopige terbeschikkingstelling heeft verleend, omdat dit instrument bedoeld is om te voorkomen dat bewijsmateriaal al onherroepelijk wordt overgedragen voordat op het klaagschrift is beslist.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het verzoek van de uitvaardigende autoriteit om onmiddellijke overdracht van bewijsmateriaal niet beperkt is tot een expliciet verzoek in het EOB of aanvullend EOB, wat strookt met de doelstelling van snelle en doeltreffende samenwerking in strafzaken.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad indien de betrokkene volledige kennisneming van het EOB krijgt, en dat de voorlopige terbeschikkingstelling niet onrechtmatig is ondanks het ontbreken van een spoedeisendheidsmotivering in het EOB.
Het beroep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank Amsterdam blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de voorlopige terbeschikkingstelling van bewijsmateriaal aan Roemeense autoriteiten.