ECLI:NL:HR:2022:889

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juni 2022
Publicatiedatum
16 juni 2022
Zaaknummer
20/03171
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 5:50 BWWet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over meetmethode balkons en ramen in burenrecht

In deze zaak heeft eiser cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag betreffende de toepassing van artikel 5:50 BW Pro in het kader van burenrecht, specifiek over balkons en ramen bij appartementsrechten. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties en beoordeelt de klachten van eiser over het hofarrest.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig is om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De conclusie van de Advocaat-Generaal om het cassatieberoep te verwerpen wordt gevolgd.

De Hoge Raad wijst het beroep af en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest is gewezen door de vicepresident als voorzitter en vijf raadsheren en is in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak bevestigt de rechtspraak over de meetmethode van balkons en ramen in het burenrecht en de toepassing van artikel 5:50 BW Pro bij appartementsrechten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/03171
Datum17 juni 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J. van Weerden,
tegen
1. [verweerster 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: J.H. van Gelderen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/09/516992 / HA ZA 16-1004 van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2018;
het arrest in de zaak 200.248.228/01 van het gerechtshof Den Haag van 7 juli 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 415,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, A.E.B. ter Heide, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
17 juni 2022.