Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
21 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt, waarbij ook toepassing werd gegeven aan art. 36e lid 2 Sr. De betrokkene stelde meerdere cassatiemiddelen aan de orde, waaronder klachten over de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte klachten en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De klachten over de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel werden niet inhoudelijk gemotiveerd, conform art. 81 lid 1 Wet Pro RO, omdat beantwoording niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden door late aanlevering van stukken door het hof. Deze overschrijding werd echter niet als reden gezien om het cassatieberoep gegrond te verklaren of het hofarrest te vernietigen. De compensatie voor deze termijnoverschrijding wordt verwezen naar de aanhangige strafzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak.
De Hoge Raad besloot het beroep te verwerpen en bevestigde daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 21 juni 2022.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.