ECLI:NL:HR:2022:907

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
20/02084
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping beroep in cassatie inzake profijtontneming opbrengsten hennepteelt

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt, waarbij ook toepassing werd gegeven aan art. 36e lid 2 Sr. De betrokkene stelde meerdere cassatiemiddelen aan de orde, waaronder klachten over de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte klachten en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De klachten over de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel werden niet inhoudelijk gemotiveerd, conform art. 81 lid 1 Wet Pro RO, omdat beantwoording niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden door late aanlevering van stukken door het hof. Deze overschrijding werd echter niet als reden gezien om het cassatieberoep gegrond te verklaren of het hofarrest te vernietigen. De compensatie voor deze termijnoverschrijding wordt verwezen naar de aanhangige strafzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak.

De Hoge Raad besloot het beroep te verwerpen en bevestigde daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 21 juni 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02084 P
Datum21 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2020, nummer 21-005889-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 20/02083, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. Deze zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De compensatie waartoe de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, kan worden toegepast in de strafzaak.
3.3
Daarom is er geen aanleiding om in deze zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 juni 2022.