ECLI:NL:HR:2022:911

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
19/04995
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 151 SrArt. 227b SrArt. 321 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij verduistering en onttrekking lijk

De zaak betreft een verdachte die gedurende bijna tweeënhalf jaar het stoffelijk overschot van zijn moeder in het ouderlijk huis verborgen hield, zonder melding te maken bij de uitkeringsinstanties, waardoor haar AOW-uitkering en nabestaandenpensioen onterecht bleven doorlopen. Hij werd veroordeeld voor onttrekking van een lijk aan nasporing, nalaten tijdig gegevens te verstrekken en meermalen verduistering.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch legde een gevangenisstraf van tien maanden op, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de duur van de straf, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, maar dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens was overschreden. Daarom werd de straf verminderd tot negen maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot negen maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/04995
Datum21 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2019, nummer 20-002092-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.M.A. Jegers, advocaat te Heerlen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 juni 2022.