ECLI:NL:HR:2022:918

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
21 juni 2022
Zaaknummer
20/04055
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak feitelijke aanranding van de eerbaarheid

In deze strafzaak stond de feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr Pro) centraal. De verdachte werd door het hof veroordeeld, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank met overneming van de gronden bevestigde. De verdachte stelde in cassatie verschillende klachten over het bewijsminimum, de toepassing van het zogenoemde 'unus testis'-beginsel (art. 342 lid 2 Sv Pro) en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk in te gaan op de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in art. 81 lid 1 RO Pro.

Het beroep van de verdachte werd derhalve verworpen. Hiermee bleef het arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 december 2020 in stand, waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren van Strien en Kuijer, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Hart, tijdens een openbare terechtzitting op 21 juni 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/04055
Datum21 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 december 2020, nummer 22-001400-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 juni 2022.