Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
21 juni 2022.
Hoge Raad
De verdachte stond terecht voor het feitelijk leiding geven aan een bedrijf dat over een langere periode handelde in strijd met milieueisen, alsmede voor medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot begeleidingsbrieven van afvalstoffen. Het hof Arnhem-Leeuwarden had hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk.
In cassatie voerde de verdachte meerdere verweren aan, waaronder nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, afwezigheid van schuld, en betwisting van de deskundigheid van NFI-rapporten. Ook werd aangevoerd dat geen van de monsterpotjes was geanalyseerd en dat het bewijs onvoldoende was.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat het hof terecht passages uit het vonnis van de rechtbank als bewijsmiddel gebruikte. De strafmotivering en bewezenverklaring zijn voldoende onderbouwd. Het beroep werd verworpen, zonder nadere motivering omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot 11 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk.