ECLI:NL:HR:2022:924

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
22 juni 2022
Zaaknummer
21/01458
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArt. 10.37 Wet milieubeheerArt. 225.1 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in economische strafzaak valsheid in geschrift en milieurecht

De zaak betreft een economische strafzaak waarin de verdachte samen met anderen over een langere periode handelde in strijd met milieuregelgeving (art. 2.3 Wabo en art. 10.37 Wm) en valsheid in geschrift pleegde met betrekking tot begeleidingsbrieven (art. 225.1 Sr). De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen aan de orde, waaronder nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, afwezigheid van alle schuld, en betwisting van de deskundigheid van NFI-rapporten.

Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en het bewijs van de valsheid en milieurechtschendingen bevestigd. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO Pro).

Het beroep van de verdachte is derhalve verworpen. De Hoge Raad bevestigt hiermee de bewezenverklaring en de opgelegde straf door het hof. De uitspraak onderstreept de mogelijkheid om NFI-rapporten als deskundigenrapporten te gebruiken en het belang van een zorgvuldige bewijsvoering in milieustrafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte voor milieurechtschendingen en valsheid in geschrift.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01458 E
Datum21 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 24 maart 2021, nummer 21-006929-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Hörchner, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 juni 2022.