Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
21 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2021, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen tegen de betrokkene, een afvalverwerkingsbedrijf. Het geschil richt zich op de vraag of het hof terecht de opbrengsten van leveringen van reststromen van verschillende bedrijven heeft betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene werd door het hof deels veroordeeld tot ontneming van een bedrag van €1.110.601,86, waarbij onder meer de leveringen van reststromen vanaf bedrijf A integraal werden betrokken, ondanks dat hij in de strafzaak voor die stromen werd vrijgesproken. De Hoge Raad beoordeelde of het hof deze leveringen terecht als wederrechtelijk verkregen voordeel kwalificeerde en of het hof terecht het procesdossier niet had aangevuld met alle door het Openbaar Ministerie gebruikte begeleidingsbrieven en facturen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de betrokkene niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Het hof had de feiten en het recht voldoende juist toegepast en het was niet nodig om nadere motivering te geven, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering van €1.110.601,86 wordt gehandhaafd.