ECLI:NL:HR:2022:925

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
22 juni 2022
Zaaknummer
21/01459
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep tegen ontnemingsvordering inzake afvalverwerking

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2021, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen tegen de betrokkene, een afvalverwerkingsbedrijf. Het geschil richt zich op de vraag of het hof terecht de opbrengsten van leveringen van reststromen van verschillende bedrijven heeft betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene werd door het hof deels veroordeeld tot ontneming van een bedrag van €1.110.601,86, waarbij onder meer de leveringen van reststromen vanaf bedrijf A integraal werden betrokken, ondanks dat hij in de strafzaak voor die stromen werd vrijgesproken. De Hoge Raad beoordeelde of het hof deze leveringen terecht als wederrechtelijk verkregen voordeel kwalificeerde en of het hof terecht het procesdossier niet had aangevuld met alle door het Openbaar Ministerie gebruikte begeleidingsbrieven en facturen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de betrokkene niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Het hof had de feiten en het recht voldoende juist toegepast en het was niet nodig om nadere motivering te geven, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep werd derhalve verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering van €1.110.601,86 wordt gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01459 P
Datum21 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2021, nummer 21-005744-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft R. Hörchner, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 juni 2022.