Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
28 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een economische strafzaak waarin de verdachte als feitelijk leidinggever van een vennootschap gedurende ruim twee jaar in strijd met EU-sancties handel dreef met een gasbedrijf in Iran. Dit gebeurde indirect via tussenstations in Dubai en Turkije, waarbij onderdelen voor motoren werden verzonden die uiteindelijk bestemd waren voor Iran.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte veroordeeld wegens het overtreden van sanctiemaatregelen op grond van de Sanctiewet 1977, de Sanctieregeling Iran 2012 en relevante EU-verordeningen. De Hoge Raad heeft in cassatie beoordeeld of het hof de term ‘direct of indirect ter beschikking stellen’ uit art. 23.3 van Verordening (EU) nr. 267/2012 juist heeft uitgelegd.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat er geen noodzaak is tot nadere motivering omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.