De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor doodslag op haar achtjarige dochter door haar van een flatgebouw te doen vallen. De vader van het slachtoffer vorderde vergoeding van shockschade wegens de emotionele impact van de confrontatie met het stoffelijk overschot van zijn dochter in het mortuarium.
Het hof kende de vader een schadevergoeding toe van €20.000,- wegens posttraumatische stressstoornis (PTSS) die was vastgesteld door een klinisch psycholoog. De Hoge Raad preciseert de rechtspraak over shockschade en bevestigt dat ook een niet-onverhoedse confrontatie met de gevolgen van een onrechtmatige daad tot vergoeding kan leiden, mits de emotionele schok hevig is en het letsel objectief is vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en de toewijzing van de vordering begrijpelijk is. Daarnaast is vastgesteld dat de strafrechtelijke procedure de redelijke termijn heeft overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd van negen jaar en negen maanden naar negen jaar en acht maanden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafmaat en verwerpt het beroep voor het overige. De uitspraak bevestigt de voorwaarden waaronder shockschade kan worden toegekend en benadrukt de noodzaak van objectieve vaststelling van geestelijk letsel.