Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
28 juni 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Ondanks het instellen van het beroep zijn er geen cassatiemiddelen door de advocaat van de verdachte ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld of aan de wettelijke vereisten voor ontvankelijkheid was voldaan. Artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat cassatiemiddelen tijdig moeten worden ingediend. Dit is in deze zaak niet gebeurd, waardoor de Hoge Raad het beroep niet in behandeling kan nemen.
Op 28 juni 2022 heeft de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer. De uitspraak werd gedaan tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen.