AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Uitleg pensioenclausule en verplichting tot gelijke pensioenregeling in arbeidsovereenkomst
In deze zaak stond de vraag centraal of Jabil Circuit Netherlands B.V. op grond van een clausule in arbeidsovereenkomsten gehouden is om een pensioenregeling van werknemers in alle materiële opzichten gelijk te houden aan een eerdere pensioenregeling bij de voormalige werkgever, met als gevolg dat Jabil verplicht zou zijn om stortingen te blijven doen zodat het pensioen steeds kan worden geïndexeerd.
De procedure begon bij de kantonrechter te Eindhoven met vonnissen in 2015, 2016 en 2017, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch in arresten van januari 2020, januari 2021 en een aanvullend arrest in februari 2022 oordeelde. Jabil stelde cassatieberoep in tegen deze arresten, terwijl de wederpartijen deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelden.
De Hoge Raad heeft de klachten van Jabil beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet nodig om de motivering te geven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 ROPro.
Het incidentele beroep werd niet behandeld omdat het afhankelijk was van het slagen van het principale beroep, en het onvoorwaardelijke deel was ingetrokken. De Hoge Raad veroordeelde partijen in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de president en vier raadsheren op 1 juli 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat Jabil niet gehouden is tot stortingen die de pensioenregeling in alle materiële opzichten gelijk houden aan de eerdere regeling.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/01699
Datum1 juli 2022
ARREST
In de zaak van
JABIL CIRCUIT NETHERLANDS B.V., gevestigd te Eindhoven,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: Jabil,
advocaat: M.W. Scheltema,
tegen
1. [verweerder 1], wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder 1] en [verweerder 2],
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 3807768 met rolnummer 15/917 van de kantonrechter te Eindhoven van 8 oktober 2015, 4 februari 2016 en 3 augustus 2017;
de arresten in de zaak 200.225.533/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 januari 2020 en 19 januari 2021, aangevuld en verbeterd bij arrest van 22 februari 2022.
Jabil heeft tegen de arresten van het hof van 7 januari 2020 en 19 januari 2021 beroep in cassatie ingesteld. [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep en in het deels voorwaardelijke incidentele beroep tot gedeeltelijke vernietiging.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.
[verweerder 1] en [verweerder 2] hebben naar aanleiding van het arrest van het hof van 22 februari 2022 onderdeel 2 van het incidentele cassatieberoep ingetrokken. Daarop heeft de Advocaat-Generaal een nadere conclusie genomen, die alleen nog strekt tot verwerping van het principale beroep.
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, voor zover dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling. De onvoorwaardelijke klacht in het incidentele beroep behoeft geen behandeling omdat die is ingetrokken. Nu deze intrekking heeft plaatsgevonden nadat Jabil in het incidentele beroep een verweerschrift en een schriftelijke toelichting heeft ingediend, bestaat er wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling in het incidentele beroep.
3.Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Jabil in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] en [verweerder 2] begroot op € 421,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Jabil deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Jabil begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder 1] en [verweerder 2] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 1 juli 2022.