Uitspraak
gevestigd te Utrecht,
gevestigd te Marsberg, Duitsland,
gevestigd te IJsselstein,
2.Uitgangspunten
3.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
4.Beslissing
in het incidentele beroep:
1 juli 2022.
Hoge Raad
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of aan de voorwaarde van zekerheidstelling bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad een dwangsom kan worden verbonden. Ritzenhoff c.s. vorderden dat [verweerster] zekerheid stelt onder dreiging van een dwangsom. Het hof had dit toegewezen, maar de Hoge Raad vernietigt dit oordeel.
De Hoge Raad legt uit dat een dwangsom slechts kan worden opgelegd ter versterking van een hoofdveroordeling, waarbij de wederpartij wordt verplicht iets te doen of na te laten. Een voorwaarde van zekerheidstelling bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad is echter geen hoofdveroordeling, maar een opschortende voorwaarde die niet zelf een bevel tot zekerheidstelling inhoudt.
Daarom is het opleggen van een dwangsom bij een dergelijke voorwaarde onjuist. De Hoge Raad vernietigt het tussenarrest en het eindarrest voor zover daarin dwangsommen zijn verbonden aan de zekerheidstelling en wijst de vordering tot oplegging van een dwangsom af. De overige klachten worden niet behandeld omdat partijen geen belang meer hebben.
De Hoge Raad veroordeelt Ritzenhoff c.s. in de kosten van het cassatiegeding en bevestigt hiermee de rechtsregel dat een dwangsom niet kan worden verbonden aan een voorwaarde van zekerheidstelling bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de dwangsombepalingen bij de voorwaarde van zekerheidstelling en wijst de vordering tot oplegging van een dwangsom af.