Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
ARREST
wonende te [woonplaats],
kantoorhoudende te Arnhem,
1 juli 2022.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 3 juni 2022 een arrest gewezen betreffende een incidenteel cassatieberoep van de curator tegen werkneemster. Na het arrest verzocht de curator om aanvulling van het arrest met een beslissing over de proceskosten in het incident.
Het incident betrof een vordering van werkneemster om de curator niet-ontvankelijk te verklaren wegens te late indiening van het verweerschrift, dat tevens het incidentele cassatieberoep bevatte. De Hoge Raad stelde vast dat het verweerschrift tijdig was ingediend en dat de vordering van werkneemster feitelijk geen grondslag had. De vordering werd vervolgens ingetrokken.
De Hoge Raad oordeelde dat een proceskostenveroordeling ten laste van werkneemster op zijn plaats is, omdat de curator een verweerschrift in het incident had ingediend. De kosten aan de zijde van de curator werden begroot op € 800,- voor salaris. Hiermee werd het dictum van het arrest van 3 juni 2022 aangevuld.
Uitkomst: Werkneemster wordt veroordeeld tot betaling van € 800 aan proceskosten aan de curator.