Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
30 juni 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitleg van een voorwaardelijke wijziging van een huurovereenkomst centraal, waarbij partijen overeenkwamen dat de opzeggingstermijn zou worden verlengd van telkens vijf jaar naar telkens zes jaar. Het geschil betrof de interpretatie van deze voorwaarde en de toepassing van dwaling.
De procedure begon bij de rechtbank Oost-Brabant, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch het geschil behandelde en een arrest uitvaardigde. Tegen dit arrest stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet uitvoerig, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiser in de proceskosten. Hiermee bevestigt de Hoge Raad de uitleg van de voorwaardelijke wijziging en het oordeel van het hof over de toepassing van dwaling in deze context.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.