Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
4 juli 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juni 2021 in een strafzaak wegens diefstal met geweld. De verdediging stelde meerdere klachten voor, waaronder de vermeende denaturering van het proces-verbaal van bevindingen, het bewijsminimum volgens art. 342 lid 2 Sv Pro, en onvolkomenheden bij de beëdiging van raadsheren.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Daarbij is overwogen dat het niet nodig is om de motivering van dit oordeel te geven omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform art. 81 lid 1 Wet Pro RO.
Een aanvullende klacht over de beëdiging van raadsheren is eveneens niet verder besproken vanwege een eerder arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1438). De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 4 juli 2023.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof in de diefstal met geweld zaak.