Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 juli 2023.
Hoge Raad
In deze zaak is het cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor mishandeling. De mishandelingen betroffen het slaan met het oog, het slaan met een telefoon tegen het hoofd en het bijten in het been van de aangeefster, zijn ex-vriendin.
De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte over de bewijsvoering onderzocht, waaronder de toepassing van het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342 lid 2 Sv Pro (unus testis). Tevens is beoordeeld of het hof voldoende en begrijpelijk heeft gerespondeerd op het onderbouwde standpunt dat de verklaring van een getuige over het bijten niet betrouwbaar zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het hof de bewijsvoering en de beoordeling van de getuigenverklaringen op juiste wijze heeft gedaan. De Hoge Raad hoeft geen nadere motivering te geven omdat het oordeel niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep wordt derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.