ECLI:NL:HR:2023:1036

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juli 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
21/01757
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 77b SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 300.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing volwassenenstrafrecht bij medeplegen mishandeling ondanks minderjarigheid

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 april 2021, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van mishandeling. Het hof legde een gevangenisstraf van 252 dagen op, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 140 uur.

De kernvraag was of het hof terecht het volwassenenstrafrecht kon toepassen, terwijl verdachte tijdens het plegen van één van de feiten nog minderjarig was. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het hof terecht het volwassenenstrafrecht toepaste.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden. Gezien de strafmaat achtte de Hoge Raad dit echter niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg.

Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafoplegging door het hof Amsterdam.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01757
Datum4 juli 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 april 2021, nummer 23-003420-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 252 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 juli 2023.