De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor grootschalige oplichting door middel van fraude met film-cv’s in de periode 2000 tot 2002, waarbij slachtoffers in totaal fl. 11.390.000 zijn benadeeld, en het doen plegen van belastingfraude door anderen tussen 2001 en 2003 via onjuiste aangiften inkomstenbelasting.
Het cassatieberoep werd ingesteld door verdachte en ondersteund door zijn advocaten. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kreeg de gelegenheid om advies uit te brengen. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat het cassatieberoep geen kans van slagen heeft.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep zonder nadere motivering niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee is het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 november 2022 in stand gebleven.
De uitspraak werd gedaan op 23 mei 2023 door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en T. Kooijmans.