ECLI:NL:HR:2023:1091

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2023
Publicatiedatum
26 juli 2023
Zaaknummer
22/03199
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen cocaïnehandel

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van het opzettelijk afleveren en het opzettelijk aanwezig hebben van 18 respectievelijk 11 kilogram cocaïne, in strijd met de Opiumwet. Het gerechtshof Amsterdam had verdachte veroordeeld. In cassatie stelde verdachte een bewijsklacht in over het opzet, met name of het hof terecht had geoordeeld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de rolkoffers.

De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet nodig om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en de raadsman van verdachte had hier schriftelijk op gereageerd. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren van Strien en Kuijer, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 september 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van het afleveren en aanwezig hebben van cocaïne.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03199
Datum26 september 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 augustus 2022, nummer 23-000077-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J.C. Reisinger en M.N. Greeven, beiden advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman Reisinger heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 september 2023.