AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende diende een beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Het ingediende beroepschrift voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat het de gronden van het beroep niet bevatte.
De griffier van de Hoge Raad gaf belanghebbende de mogelijkheid om dit verzuim binnen zes weken te herstellen. Deze termijn eindigde op 28 oktober 2022. Een brief van belanghebbende die op 29 oktober 2022 werd ontvangen, werd buiten beschouwing gelaten omdat deze na de termijn was ingediend.
Op grond hiervan verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 6:6 AwbPro. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest werd op 27 januari 2023 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Cools en Van der Voort Maarschalk.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet tijdig herstellen daarvan.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02957
Datum27 januari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door G. Veldhuisen,
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 10 juni 2022, nr. SGR 21/3816 V.
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep. De griffier van de Hoge Raad heeft op 16 september 2022 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na die datum te herstellen. Die termijn eindigde op 28 oktober 2022.
Op 29 oktober 2022 heeft de Hoge Raad via het webportaal een brief van belanghebbende ontvangen. Aangezien die brief na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, laat de Hoge Raad dit stuk buiten beschouwing. Daarom zal de Hoge Raad het beroep in cassatie met toepassing van artikel 6:6 AwbPro niet-ontvankelijk verklaren.
2.Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier S. Joosten, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2023.