ECLI:NL:HR:2023:1117
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing bedrijfsopvolgingsregeling op ondernemingsvermogen in erfbelasting
Belanghebbende is erfgenaam van een nalatenschap waarin certificaten van aandelen in meerdere vennootschappen zijn betrokken, die zich bezighouden met projectontwikkeling en verhuur van onroerende zaken. Het geschil betreft de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) op de waarde van deze aandelen, met name of de waarde van verhuurde panden tot het ondernemingsvermogen behoort.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de activiteiten van projectontwikkeling en verhuur niet als één onderneming kwalificeren en dat de BOR alleen van toepassing is op het vermogen toe te rekenen aan projectontwikkeling. De Hoge Raad verwees de zaak voor nader onderzoek naar welke panden redelijkerwijs aan de projectontwikkelingsactiviteiten kunnen worden toegerekend.
Het Hof Den Haag concludeerde dat verhuurde panden, behalve een voormalig kantoorpand, niet aan de projectontwikkelingsactiviteiten kunnen worden toegerekend omdat zij niet werden gebruikt ten behoeve van de materiële onderneming, maar een product daarvan zijn. Belanghebbende stelde dat deze panden tot het keuzevermogen en ondernemingsvermogen behoren, maar dit werd door het Hof afgewezen.
De Hoge Raad verwijst in dit arrest naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2023:1054) en vernietigt het arrest van het Hof, behalve voor proceskosten en griffierecht. De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2023.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere behandeling met inachtneming van het arrest.