ECLI:NL:HR:2023:1123

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 augustus 2023
Publicatiedatum
22 augustus 2023
Zaaknummer
22/01340
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Artikel 81 RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 359.2 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt TBS met dwangverpleging en gevangenisstraf voor poging tot doodslag

De zaak betreft een verdachte die tijdens onbegeleid verlof niet is teruggekeerd en een poging tot doodslag pleegde door met een tas met daarin een steen op het hoofd van het slachtoffer te slaan en met kracht haar nek en hoofd om te draaien. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft hem veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij onder meer werd verzocht om een maatregelrapport en het oproepen van deskundigen. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het bewijs en de strafmotivering, maar vond geen reden tot vernietiging van het arrest. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, zonder dat dit tot andere rechtsgevolgen leidde.

Uiteindelijk werd het beroep verworpen en bleef de strafoplegging van vijf jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de straf van vijf jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging wegens poging tot doodslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01340
Datum29 augustus 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 april 2022, nummer 21-002343-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte en D.W.E. Sternfeld, advocaat te Amsterdam, hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 augustus 2023.