ECLI:NL:HR:2023:115
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake inkomstenbelasting 2016
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 januari 2022, waarin het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2016 werd behandeld.
De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
Op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de klachten in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.