Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Verdere beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
8 september 2023.
Hoge Raad
In deze zaak bevestigt de Hoge Raad de uitleg van het begrip 'ouder recht' in het merkenrecht, zoals verduidelijkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in zijn arrest van 2 juni 2022 (zaak C-112/21). De zaak betreft een geschil tussen [eiseres] B.V. en CCC c.s. over de toepassing van art. 2.23 lid 2 (oud) BVIE en art. 6 lid 2 van Pro de Merkenrichtlijn 2008/95/EG.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten in deze zaak en het HvJEU-arrest, waarin is vastgesteld dat voor het bestaan van een ouder recht niet vereist is dat de houder van dat recht het gebruik van het jongere merk kan verbieden. Ook kan een derde een ouder recht hebben ondanks dat de merkhouder een nog ouder recht bezit, mits de merkhouder de derde op grond van dat oudere recht niet kan verbieden het jongere merk te gebruiken.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van CCC c.s. over het vereiste van een ouder handelsnaam onjuist zijn en dat het beroep van CCC c.s. op rechtsverwerking slaagt. Het cassatieberoep wordt verworpen en [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten. Het incidentele cassatieberoep behoeft geen behandeling omdat het afhankelijk was van een succesvolle vernietiging van het hofarrest.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitleg van het begrip ouder recht in het merkenrecht conform het HvJEU-arrest.