ECLI:NL:HR:2023:1166

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2023
Publicatiedatum
7 september 2023
Zaaknummer
23/00034
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 4:7 lid 1 onder d BWArt. 4:148 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheden executeur en afwikkelingsbewindvoerder in erfrechtelijke procedure

In deze zaak stond de vraag centraal of een erfgenaam die tevens tot executeur was benoemd ook als afwikkelingsbewindvoerder kon optreden en welke bevoegdheden daaraan verbonden zijn. Tevens werd de informatiedeling en de vergoeding van kosten van de executele besproken.

De procedure begon bij de rechtbank Midden-Nederland met vonnissen in maart en november 2021, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 oktober 2022 een arrest uitbracht. Tegen dit arrest stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering te geven omdat de zaak geen vragen bevat die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd verworpen en de kosten van het cassatiegeding werden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/00034
Datum8 september 2023
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/16/514311 / HL ZA 20-365 van de rechtbank Midden-Nederland van 24 maart 2021 en 3 november 2021;
b. het arrest in de zaak 200.306.814/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 oktober 2022.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
8 september 2023.