Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
De periode 16 december 2020 tot 15 september 2021
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 september 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of familiebankleningen die de man en vrouw tijdens hun huwelijk zijn aangegaan met de ouders van de man, behoren tot de huwelijksgemeenschap en of bij de berekening van de draagkracht van de man voor partneralimentatie rekening moet worden gehouden met de rente op deze leningen.
De rechtbank had de leningen als schulden van de gemeenschap aangemerkt en de rente meegenomen in de draagkrachtberekening. Het hof vernietigde dit oordeel en oordeelde dat de leningen niet tot de gemeenschap behoren vanwege de verzorgingsgedachte van de ouders en de constructie van de leningen, en liet de rentebetalingen buiten beschouwing bij de draagkracht.
De man stelde in cassatie dat het hof onjuist heeft geoordeeld omdat de leningen voldoen aan alle kenmerken van geldleningen en daarom tot de gemeenschap behoren. De Hoge Raad volgt dit betoog en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.