ECLI:NL:HR:2023:1221

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
22/00088
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake AOW-besluit Sociale Verzekeringsbank

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een besluit van de Sociale Verzekeringsbank over de Algemene Ouderdomswet (AOW). Het geschil betreft onder meer de betaling van het griffierecht, waarbij belanghebbende een beroep op betalingsonmacht deed, dat door de griffier werd afgewezen. De Hoge Raad bevestigt dat de heffing van het griffierecht terecht is voortgezet na beoordeling van de inkomensgegevens.

Daarnaast werd geklaagd dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep niet ondertekend zou zijn door de voorzitter en griffier. Deze klacht faalt omdat de griffier een afschrift van de ondertekende uitspraak aan de Hoge Raad heeft verstrekt. De overige klachten van belanghebbende leiden niet tot vernietiging van de uitspraak, waarbij de Hoge Raad geen nadere motivering behoeft omdat deze klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ongewijzigd in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/00088
Datum15 september 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Duitsland, (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 november 2021, nr. 20/762 AOW [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 19/2458) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft dat beroep afgewezen. Belanghebbende heeft het griffierecht onder protest voldaan. De Hoge Raad begrijpt de klachten aldus dat zij mede tegen de beslissing van de griffier zijn gericht.
2.2
Na kennisneming van de in cassatie overgelegde gegevens omtrent het inkomen is de Hoge Raad van oordeel dat de griffier de heffing van het griffierecht terecht heeft voortgezet. [2]
2.3
Eén van de in cassatie aangevoerde klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep houdt in dat die uitspraak niet is ondertekend door de voorzitter en de griffier van de Centrale Raad van Beroep. Belanghebbende wijst er op dat op het aan hem toegezonden afschrift van de uitspraak staat vermeld “(getekend) A. van Gijzen en daaronder (getekend) R. van Doorn”, maar dat die handtekeningen op dit afschrift ontbreken.
2.4
De klacht faalt. Desgevraagd heeft de griffier van de Centrale Raad van Beroep van de ondertekende uitspraak een afschrift aan de Hoge Raad verstrekt, welk afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2023.

Voetnoten

2.HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354.