Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
26 september 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid op grond van artikel 9.1 WVW 1994.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte op 16 november 2017 een snorfiets bestuurde terwijl hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. Dit oordeel was gebaseerd op de vaststelling dat het vereiste schrijven conform artikel 180.3 WVW 1994 persoonlijk aan verdachte was uitgereikt, zodat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ontzegging.
In cassatie werd geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring en over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Hoge Raad verwierp het eerste middel en bevestigde dat het bewijs toereikend was gemotiveerd. Het tweede middel werd gegrond verklaard vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, maar de Hoge Raad vond dit niet aanleiding tot een ander rechtsgevolg gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van twee weken.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid ondanks overschrijding redelijke termijn.