Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 oktober 2023.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2021 in een zaak waarin de verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag. De verdachte had het hof bestreden met klachten over het bewijs en een verweer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens ernstige nalatigheid in het voorbereidend onderzoek.
De Hoge Raad verwierp de klachten over het bewijs en het verweer tot niet-ontvankelijkheid, waarbij het niet nodig was om de motivering te geven vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Wel oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf van achttien maanden (waarvan zes maanden voorwaardelijk) naar zeventien maanden en twee weken, met behoud van de voorwaardelijke straf en proeftijd. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd naar zeventien maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.