Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
17 oktober 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, cocaïne en amfetamine. Het hof legde een gevangenisstraf van twee maanden op, waarvan de uitvoering werd opgeschort onder voorwaarden, waaronder een bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd, of korter indien verantwoord, zou laten behandelen door een zorgverlener en zich op indicatie van de reclassering maximaal zeven weken zou laten opnemen in een zorginstelling.
De verdachte stelde cassatie in tegen deze bijzondere voorwaarde, stellende dat de beslissing tot opname in een zorginstelling en de duur daarvan exclusief aan de rechter toekomt. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest voor zover deze voorwaarde betreft.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 14c lid 2 onder 10 Sr de beslissing over opname in een zorginstelling en de duur daarvan aan de rechter is voorbehouden. Het hof had deze beslissing echter gedelegeerd aan de reclassering en andere instanties, wat onverenigbaar is met de wettelijke regeling. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van de rechterlijke beslissing bij het opleggen van bijzondere voorwaarden bij voorwaardelijke straffen, met name bij opname in zorginstellingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de bijzondere voorwaarde betreft en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.