Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
17 oktober 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verstek was verleend tegen de verdachte wegens diens afwezigheid bij de terechtzitting in hoger beroep. Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 416 lid 2 Sv Pro.
De verdediging stelde dat de verstekverlening onterecht was omdat de raadsman zich tijdig had gesteld en op het moment van de terechtzitting aanwezig was bij de zittingszaal. Bijgevoegd bewijs bestond uit correspondentie van de raadsman en een brief van het hof waarin werd erkend dat de naam van de raadsman niet op de zittingslijst stond en dat de bode die de zaak uitriep niet op de hoogte was van zijn aanwezigheid.
De Hoge Raad concludeerde dat de raadsman ten onrechte niet de gelegenheid had gekregen om de verdachte te vertegenwoordigen tijdens de terechtzitting. De verstekverlening was daardoor onjuist. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.