Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
7 november 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en MDMA, het in voorraad hebben van een vervalst bankbiljet met het oogmerk dit als echt uit te geven, en wederspannigheid. In cassatie stelde de verdachte onder meer dat het bewijs met betrekking tot het Opiumwetfeit uitgesloten moest worden wegens een onherstelbaar vormverzuim bij de fouillering. Daarnaast voerde hij bewijsklachten aan over het oogmerk bij het bezit van vals geld en over de wederspannigheid, waarbij werd betwist of de ambtshandeling daadwerkelijk was ingezet.
De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Buruma en Röttgering, en uitgesproken op 7 november 2023. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam blijft in stand.