Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 november 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen de verdachte die werd vervolgd voor belaging van zijn ex-vriendin. Gedurende meer dan drie jaar belde hij haar veelvuldig, ging bij haar woning langs, betrad onaangekondigd haar tuin en stuurde haar vele liefdesbrieven, hetgeen volgens artikel 285b.1 Sr strafbaar is.
De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat niet was voldaan aan het klachtvereiste zoals bedoeld in artikel 285b.2 Sr. De Hoge Raad heeft dit betoog beoordeeld in het kader van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en geoordeeld dat het cassatieberoep niet tot vernietiging van het hofarrest kan leiden.
De Hoge Raad motiveert zijn beslissing niet uitvoerig omdat het oordeel geen vragen betreft die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte werd veroordeeld, blijft daarmee in stand.
Het arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman. Het cassatieberoep van de verdachte is verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor belaging.