ECLI:NL:HR:2023:159

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2023
Publicatiedatum
3 februari 2023
Zaaknummer
22/00140
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over WOZ-beschikkingen en verletkosten erfgenamen

De erfgenamen van een overledene hebben beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over WOZ-beschikkingen voor het jaar 2017 betreffende onroerende zaken aan een adres in Amsterdam, alsmede tegen hun verzoek tot vergoeding van verletkosten.

De Hoge Raad heeft de klachten van de erfgenamen beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de klachten in te gaan omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om de proceskosten aan de erfgenamen toe te wijzen. Het beroep in cassatie is derhalve ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het Hof Amsterdam standhoudt.

Het arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, en op 3 februari 2023 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de erfgenamen wordt ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van het Hof Amsterdam wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/00140
Datum3 februari 2023
ARREST
in de zaak van
de erfgenamen van [A] (hierna: belanghebbenden)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 november 2021, nrs. 20/00364, 20/00367, 20/00369 en 20/00371 [1] , op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. 18/2164, 18/2167, 18/2327 en 18/2328) betreffende de ten aanzien van belanghebbenden gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaken [a-straat 1], te [Q] en het door belanghebbenden gedane verzoek tot vergoeding van verletkosten.

1.Geding in cassatie

Belanghebbenden, vertegenwoordigd door S.A. van Doren, hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier S. Joosten, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2023.