Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2023:16

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2023
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
21/04874
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen veroordeling voor opzettelijk vervoeren van cocaïne en heroïne

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen, namelijk cocaïne en heroïne, in zijn auto. Het hof stelde vast dat de verdovende middelen zich onder een eenvoudig te verwijderen paneel naast de bestuurder bevonden, terwijl de verdachte op het moment van aanhouding op de bijrijdersstoel zat. Het hof oordeelde dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat hij wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.

De verdachte stelde in cassatie een bewijsklacht in tegen deze vaststelling. De advocaat-generaal adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer. Hiermee bleef de veroordeling van de verdachte in stand voor het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen in strijd met artikel 2 van Pro de Opiumwet.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor het opzettelijk vervoeren van cocaïne en heroïne blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04874
Datum7 februari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 november 2021, nummer 22-003702-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft O.J. Much, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 februari 2023.