Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
21 november 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die klaagster, een vennootschap onder firma (VOF), niet-ontvankelijk verklaarde in een klaagschrift tegen beslag op een auto. Het beslag was gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen door een van de vennoten en een derde.
De rechtbank oordeelde dat de VOF per 1 maart 2020 was opgehouden te bestaan doordat een vennoot was uitgetreden, waardoor het klaagschrift niet-ontvankelijk was. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de auto, hoewel oorspronkelijk op naam van de VOF, feitelijk werd gebruikt en onderhouden door de vertrokken vennoot, die ook de bekeuringen betaalde. Gezien het opsporingsonderzoek achtte de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later verbeurdverklaring van de auto zou bevelen, wat het belang van voortduren van het beslag rechtvaardigt.
De Hoge Raad liet het oordeel over de niet-ontvankelijkheid onbesproken, omdat de klaagster geen belang had bij vernietiging van de beslissing. De Hoge Raad bevestigde dat de auto redelijkerwijs aan de vertrokken vennoot toebehoort en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Daarmee blijft de beschikking van de rechtbank in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beslag op de auto blijft gehandhaafd.