Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
5 december 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte, een rechtspersoon gevestigd te een vestigingsplaats, terecht voor medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen van geldbedragen. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte eerder veroordeeld op basis van feiten en bewijs.
De verdachte stelde in cassatie onder meer een bewijsklacht in over het ontbreken van het oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, zoals vereist volgens art. 359 lid 2 Sv Pro. Daarnaast werd een klacht over het bewijs van het witwassen ingebracht. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel van het hof nader toe te lichten, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform art. 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het cassatieberoep werd daarom verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand bleef.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Röttgering en Kooijmans op 5 december 2023.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen door rechtspersoon.