ECLI:NL:HR:2023:1618

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
22 november 2023
Zaaknummer
22/00249
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 SrArt. 420ter lid 1 SrArt. 420bis lid 1 sub a SrArt. 420bis lid 1 sub b SrArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen door rechtspersoon

In deze zaak stond de verdachte, een rechtspersoon gevestigd te een vestigingsplaats, terecht voor medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen van geldbedragen. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte eerder veroordeeld op basis van feiten en bewijs.

De verdachte stelde in cassatie onder meer een bewijsklacht in over het ontbreken van het oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, zoals vereist volgens art. 359 lid 2 Sv Pro. Daarnaast werd een klacht over het bewijs van het witwassen ingebracht. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.

De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel van het hof nader toe te lichten, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform art. 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het cassatieberoep werd daarom verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand bleef.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Röttgering en Kooijmans op 5 december 2023.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen door rechtspersoon.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00249
Datum5 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2022, nummer 23-000525-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W. de Vries, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 december 2023.