Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
5 december 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor meervoudige oplichting, verduistering, medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten onvoldoende zijn om het arrest te vernietigen.
De klachten betroffen onder meer de geldigheid van de dagvaarding, de rol van verzwijging in de bewezenverklaring, de wetenschap van het niet doorgaan van het project door een slachtoffer, de wederrechtelijke toe-eigening van gelden, opzet, bewijs van valsheid in geschrift en witwassen, en de redelijke termijn in eerste aanleg. Ook werd de strafmotivering en de rol van een persbericht van het Openbaar Ministerie besproken.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet nodig was om de klachten inhoudelijk te motiveren omdat deze niet leiden tot vernietiging. Tevens werd een schriftelijk stuk van de benadeelde partij niet als cassatiemiddel erkend. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef. De opgelegde straf bestond uit 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en een beroepsverbod van 5 jaar.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hofarrest met 18 maanden gevangenisstraf en 5 jaar beroepsverbod blijft in stand.