ECLI:NL:HR:2023:1620

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
22 november 2023
Zaaknummer
22/00251
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 326 lid 1 SrArt. 321 SrArt. 225 lid 1 SrArt. 225 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in meervoudige oplichting, verduistering en witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor meervoudige oplichting, verduistering, medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten onvoldoende zijn om het arrest te vernietigen.

De klachten betroffen onder meer de geldigheid van de dagvaarding, de rol van verzwijging in de bewezenverklaring, de wetenschap van het niet doorgaan van het project door een slachtoffer, de wederrechtelijke toe-eigening van gelden, opzet, bewijs van valsheid in geschrift en witwassen, en de redelijke termijn in eerste aanleg. Ook werd de strafmotivering en de rol van een persbericht van het Openbaar Ministerie besproken.

De Hoge Raad oordeelde dat het niet nodig was om de klachten inhoudelijk te motiveren omdat deze niet leiden tot vernietiging. Tevens werd een schriftelijk stuk van de benadeelde partij niet als cassatiemiddel erkend. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef. De opgelegde straf bestond uit 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en een beroepsverbod van 5 jaar.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hofarrest met 18 maanden gevangenisstraf en 5 jaar beroepsverbod blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00251
Datum5 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2022, nummer 23-000523-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W. de Vries, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft M.J. Meijer, advocaat te Haarlem, een schriftelijk stuk ingediend. Het is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het bevat echter geen cassatiemiddel als in de wet bedoeld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 december 2023.