In deze zaak hebben vier eisers tegen de Staat der Nederlanden beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betreft een vermogensrechtelijke kwestie waarbij onder meer de verklaring van waardeloosheid en de niet-ontvankelijkheid wegens niet-tijdige inschrijving van het hoger beroep in het rechtsmiddelenregister aan de orde waren.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de procedure en heeft de klachten van de eisers over het arrest van het hof beoordeeld. De klachten konden niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht betreft, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de eisers in de kosten van het geding, met een specificatie van verschotten en salaris aan de zijde van de Staat. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 24 november 2023.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens niet-tijdige inschrijving van het hoger beroep, met veroordeling in de kosten.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/03887
Datum24 november 2023
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats],
4. [eiser 4],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eisers tot cassatie],
advocaat: J. de Jong van Lier,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: G.C. Nieuwland.
1.Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/08/250610 / HA ZA 20-268 van de rechtbank Overijssel van 23 september 2020 en 24 maart 2021;
b. de arresten in de zaak 200.298.043 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022 en 19 juli 2022.
[eisers tot cassatie] hebben tegen het arrest van het hof van 19 juli 2022 beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door J.B.B. Heinen. De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eisers tot cassatie] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers tot cassatie] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren S.J. Schaafsma, als voorzitter, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 24 november 2023.