Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
28 november 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitlevering van een Servische staatsburger naar Servië centraal, die werd verdacht van moord en deelname aan een criminele organisatie. De verdediging voerde aan dat er sprake was van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro), omdat de onafhankelijkheid van de Servische rechters door politieke invloed bij hun benoeming in twijfel werd getrokken.
De kern van het geschil betrof de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Justitie en Veiligheid. De vraag was of de uitleveringsrechter bevoegd was om het beroep op een flagrante schending van art. 6 EVRM Pro te beoordelen. De rechtbank Noord-Holland had dit betwist, en de zaak kwam in cassatie bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie de uitleveringsrechter niet bevoegd is om te oordelen over een beroep op een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro. Dit oordeel werd zonder nadere motivering bevestigd omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de uitlevering naar Servië kon worden voortgezet. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de uitleveringsrechter niet bevoegd is om te oordelen over het beroep op flagrante schending van art. 6 EVRM.