ECLI:NL:HR:2023:1658

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
24 november 2023
Zaaknummer
23/02682
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid uitleveringsrechter bij beroep op flagrante schending art. 6 EVRM in uitleveringsprocedure

In deze zaak stond de uitlevering van een Servische staatsburger naar Servië centraal, die werd verdacht van moord en deelname aan een criminele organisatie. De verdediging voerde aan dat er sprake was van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro), omdat de onafhankelijkheid van de Servische rechters door politieke invloed bij hun benoeming in twijfel werd getrokken.

De kern van het geschil betrof de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Justitie en Veiligheid. De vraag was of de uitleveringsrechter bevoegd was om het beroep op een flagrante schending van art. 6 EVRM Pro te beoordelen. De rechtbank Noord-Holland had dit betwist, en de zaak kwam in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie de uitleveringsrechter niet bevoegd is om te oordelen over een beroep op een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro. Dit oordeel werd zonder nadere motivering bevestigd omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de uitlevering naar Servië kon worden voortgezet. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de uitleveringsrechter niet bevoegd is om te oordelen over het beroep op flagrante schending van art. 6 EVRM.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02682 U
Datum28 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2023, nummer [nummer] , op verzoek van de Republiek Servië tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de opgeëiste persoon.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft D.R. Kops, advocaat te Breukelen UT, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 november 2023.