Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
5 december 2023.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het bloedmonster van verdachte, dat werd afgenomen op 29 januari 2019, tijdig en volgens de wettelijke waarborgen was verzonden naar het laboratorium. Het hof had verdachte vrijgesproken omdat het bloedmonster pas acht dagen later bij het laboratorium werd ontvangen en niet kon worden vastgesteld bij welke temperatuur het bloed werd vervoerd. Hierdoor was niet voldaan aan het voorschrift dat het bloedmonster 'zo spoedig mogelijk' moet worden bezorgd.
De Hoge Raad bevestigde dat het aan de feitenrechter is om te beoordelen of de verzending van het bloedmonster in het concrete geval tijdig heeft plaatsgevonden. Uit eerdere rechtspraak volgt dat verzending binnen acht dagen in principe als tijdig wordt beschouwd, tenzij bijzondere omstandigheden zoals bewaarwijze anders doen besluiten. In deze zaak was het bloed direct na afname bewaard bij -20°C, maar het vervoer vond plaats vóór de invoering van de verplichte vrieskoude transport, en de temperatuur tijdens transport was onbekend.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de vrijspraak voldoende had gemotiveerd en dat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster acht dagen na afname werd ontvangen, zonder nadere vaststelling van de vervoersomstandigheden, niet tot een andere bewijsbeslissing leidde. Ook was het openbaar ministerie niet met een onderbouwd standpunt gekomen over de tijdigheid van verzending. Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef de vrijspraak in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak omdat het bloedmonster niet tijdig volgens de wettelijke waarborgen bij het laboratorium werd bezorgd.