Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
19 december 2023.
Hoge Raad
Op 31 januari 2020 heeft de verdachte tijdens een vreedzame demonstratie voor het hoofdkantoor van Shell een zwarte, op olie gelijkende vloeistof over de trap gegoten, waardoor deze tijdelijk onbruikbaar en gevaarlijk werd. Het hof stelde vast dat dit handelde in strijd met artikel 350 lid 1 Sr Pro en legde een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350 op.
De verdediging voerde aan dat vervolging een ontoelaatbare inbreuk zou vormen op het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering zoals beschermd door artikelen 10 en 11 EVRM. De Hoge Raad overwoog uitgebreid de reikwijdte van deze fundamentele rechten, de noodzaak en proportionaliteit van beperkingen daarop, en het begrip 'reprehensible act' zoals ontwikkeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De Hoge Raad concludeerde dat het strafrechtelijke optreden gerechtvaardigd was omdat de verdachte een strafbaar feit pleegde dat het eigendomsrecht van Shell schond en een gevaarlijke situatie voor derden veroorzaakte. De opgelegde straf was proportioneel en voorkwam een chilling effect op vreedzame demonstraties. Daarmee werd het beroep verworpen en bleef het vonnis van het hof in stand.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350 wegens het onbruikbaar maken van de trap van Shell, waarbij geen strijd met art. 10 en 11 EVRM werd vastgesteld.