ECLI:NL:HR:2023:1759

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
15 december 2023
Zaaknummer
23/00907
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 2:260 SrCArt. 1:123 SrC
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen gekwalificeerde doodslag op Curaçao

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag op een 90-jarige man op Curaçao. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba had verdachte veroordeeld. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld aan de hand van drie cassatiemiddelen. De eerste twee middelen betroffen de bewijsklacht over het opzet van verdachte en de toepasselijkheid van de redelijke termijn in hoger beroep, waarbij werd betwist of de termijn van 16 maanden of 2 jaar van toepassing was gezien de voorlopige hechtenis van verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofvonnis konden leiden en motiveerde dit niet nader vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling.

Het derde cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad constateerde dat de zaak binnen veertien maanden na het cassatieberoep werd afgedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn werd gecompenseerd. Daarom was er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en het vonnis van het hof bekrachtigd. Hiermee blijft de veroordeling van verdachte voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag ongewijzigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00907 C
Datum19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 13 oktober 2022, nummer H 58/2020, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan – wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
3.3
Het cassatiemiddel faalt dus.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 december 2023.