Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van de Rechtbank
Diens standpunt dat sprake is van een niet-aftrekbare onttrekking behoeft daarom geen bespreking meer, aldus de Rechtbank.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, verkocht in 2015 haar aandelen in drie dochtervennootschappen, waarvan één in Nederland gevestigd. Na de verkoop werden afscheidsbonussen aan het personeel van deze voormalige dochtervennootschappen uitgekeerd. Belanghebbende bracht deze uitkeringen in aftrek als kosten in haar vennootschapsbelastingaangifte over het boekjaar 2015/2016.
De Inspecteur kwalificeerde deze uitkeringen als kosten ter zake van de verkoop van de deelnemingen en wees de aftrek op grond van artikel 13, lid 1, Wet Vpb af. De Rechtbank Gelderland oordeelde dat de afscheidsbonussen inderdaad kosten ter zake van de verkoop waren, omdat zonder de verkoop deze kosten niet zouden zijn gemaakt.
De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en stelde dat voor aftrekuitsluiting vereist is dat de kosten een rechtstreeks oorzakelijk verband hebben met de vervreemding, waarbij de kosten nuttig of nodig moeten zijn om tot de verkoop te komen. Afscheidsbonussen die het gevolg zijn van de verkoop maar niet met het oogmerk zijn uitgekeerd om de verkoop te faciliteren, vallen hier niet onder.
De Hoge Raad stelde vast dat de afgesproken loonheffingen en de wijze van uitbetaling door de moedervennootschap bevestigen dat de bonussen als loon moeten worden aangemerkt en derhalve aftrekbaar zijn. De aanslag werd verminderd tot nihil en de beschikking inzake belastingrente vernietigd. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel van de Rechtbank en stelt dat de afscheidsbonussen aftrekbaar zijn, waardoor de aanslag wordt verminderd tot nihil.