ECLI:NL:HR:2023:205

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
21/00696
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslagen omzetbelasting en heffingsrente

Belanghebbenden hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbenden tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake naheffingsaanslagen omzetbelasting en heffingsrente over de jaren 2007 tot en met 2013 heeft behandeld.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbenden tegen het hofarrest beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard en ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Hiermee bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het hof over de naheffingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00696
Datum10 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] te [Z] respectievelijk [X3] te [Z] (hierna ook tezamen: belanghebbenden)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 december 2020, nrs. 19/00739 tot en met 19/00755 [1] , op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. 16/9839 tot en met 16/9843, 16/9845, 16/9847, 16/9848, 16/9850, 16/9851, 16/9853, 16/9854, 16/9856, 16/9857, en 16/9859 tot en met 15/9861) betreffende aan [X1] en [X2] opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de jaren 2007 tot en met 2011 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, aan [X3] opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de jaren 2007 tot en met 2010 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, en aan [X3] opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012, over de perioden 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010, februari 2012, 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2013 en 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente respectievelijk belastingrente, en ten aanzien van [X3] gegeven beschikkingen op verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbenden, vertegenwoordigd door H.A.J. Kalsbeek, hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2023.